Ik had het kunnen weten. Het is niet omdat je al eens een kind naar zijn nieuw nest hebt gebracht dat het de tweede keer makkelijker wordt.
Ik word veel te vroeg wakker en door het kleine raam zie ik roze wolken op een blauwe achtergrond. Het belooft een zonnige dag te worden. Maar ik heb een wee gevoel in mijn buik.
De berg afwas van onze table d’hôtes de avond ervoor laat ik voor wat het is en ik begin ijverig alle spullen te verzamelen. Beddengoed, een badkamermatje en een groot, kleurrijk kussen uit de zetel om het wat gezellig te maken. Twee messen, twee vorken, twee lepels. Een foto van ons in Nozières en de drie laatste duimspijkers uit de schuif.
We zijn het dorp nog niet uit of ik zit al te snotteren en zeg, meer tegen mezelf, dat hij moet bellen als hij eenzaam is. Dat hij altijd terug naar huis kan komen. Dat het normaal is als de eerste weken onwennig zijn want het is veel tegelijk. Ik steek mijn hand naar achter en krijg een geruststellend kneepje terug terwijl hij zegt: ‘om 13h30 is er een voetbalmatch die ik online wil zien.’
‘Oh?’ antwoord ik, en we doen in een supersnel tempo boodschappen. ‘Groenten moet je niet kopen, ik eet toch alleen maar noedels en pasta pesto’ zegt hij terwijl ik met frambozen en broccoli sta te zwaaien.
Bert en ik kibbelen over het nut van wc blokjes en waar we best zijn voorraad noedels en pestopotjes stapelen. Wanneer Bert probeert uit te leggen hoe je het rookalarm omzeilt met een sok als je wilt koken in je kamer en ik zijn persoonlijke spullen begin uit te pakken duwt Jules ons richting de deur.
‘Ik heb geen zin meer om kleren te gaan kopen, doen jullie maar, ik heb gewoon een paar t-shirts en een trui nodig’ en plots staan wij weer in de gang op het vierde verdiep van een gigantisch gebouw vol slungelige studenten, bezwete vaders die bureaustoelen en draagtassen vol schoolspullen de trap opsleuren en moeders met roodomrande ogen.
Drie t-shirts, een trui, een hoodie, twee broeken, een waterkoker, een maxidoos zoute koekjes, een toaster, een fleece, een ventilator én een extra rek later staan we weer op zijn deur te kloppen.
Omdat hij de broeken moet passen ‘want dan kunnen we ze eventueel nog ruilen vandaag’ en Bert de ventilator in elkaar moet draaien op zijn bed mist hij twee doelen van de online voetbalmatch. Hij verzekert ons dat hij zelf dat rek wel in elkaar krijgt en voor ik ‘I love you mi amor’ kan zeggen is de deur alweer dicht.
Bert zegt dat we misschien een foto van Belle moeten afdrukken voor aan zijn muur. Maar daar moet ik even over nadenken want ik kan in al die drukte niet goed inschatten wat voor effect zo’n poster van je gehandicapte kat kan hebben op potentiële liefjes. Dus in stilte en in gedachten verzonken rijden we de slingerende weg naar huis weer af.
Bij thuiskomst meldt Fons dat hij zijn buskaart niet heeft vernieuwd want hij gaat toch niet veel meer naar hier komen. Over een week verhuist de oudste naar Parijs en wordt de navelstreng nog een stuk verder uitgerokken. Maar Fons kan niet wachten om te vertrekken want zijn liefje, die er ook gaat studeren, is al ter plaatse en sindsdien loopt hij hier verloren.
Gust zegt dat hij nog wel even thuis wilt blijven als hij een oud Duits leger uniform krijgt voor een re-enactment spel met zijn vrienden. Ik ben al halfweg mijn litanie over het verheerlijken van het fascisme en met woeste armbewegingen: ‘niet in mijn huis’, voordat ik doorheb dat hij me maar wat aan het jennen is. ‘Niets zo leuk om jou op je paard te krijgen’ zeggen zijn fonkelende ogen en met een grote glimlach op zijn gezicht vertrekt hij met Bert naar de winkel. Ik hoor nog net: ‘Kunnen we kambucha kopen? Dat proeft een beetje zoals bier.’
Ik baan me in Jules’ oude kamer een weg tussen de opgebolde pluizen stof en dierenhaar, de stapels ondertussen groen aangeslagen borden en een collectie plastieke waterflessen om u tegen te zeggen. Verloren gewaande kabels, nagelschaartjes en haarkammen blijken al jaren onder zijn bed te wonen. En dat bed dek ik op voor het moment dat hij toch nog eens naar huis komt.
Er was een tijd, toen we rondtrokken in de caravan, dat ze als muisjes in één nest sliepen. Maanden later, toen we al lang weer in een huis woonden en ze elk hun eigen bed hadden, vond ik ze elke ochtend toch weer alle drie in elkaar verstrengeld. Uiteraard maak je geen kinderen om ze bij jou te houden. Je wilt dat ze uitvliegen en het leven omarmen. Maar er is ook die drang om alles bij elkaar te houden.
Ik plof in de zetel en zoek de prachtige uitspraak van de Libanese dichter en filosoof Kahlil Gibran op:
“Jullie kinderen zijn jullie kinderen niet. Zij zijn de zonen en dochters van ‘s levens hunkering naar zichzelf. Zij komen door jullie, maar niet van jullie. En hoewel zij bij jullie zijn, behoren zij jullie niet toe. Jullie mogen hen je liefde geven, maar niet jullie gedachten. Want zij hebben hun eigen gedachten. Jullie mogen hun lichamen huisvesten, maar niet hun zielen. Want hun zielen wonen in het huis van morgen, dat jullie niet kunnen bezoeken, zelfs niet in je dromen. Jullie mogen proberen zoals hen te zijn, maar probeer hen niet te maken zoals jullie. Want het leven gaat niet achteruit, noch blijft het hangen bij gisteren.”
Daar kauw ik even op. Totdat de deur weer openvliegt en iemand vraagt: ‘wat eten we vanavond?’ en ik plots stevig verlang naar een leeg nest…
Zo fijn om je wedervaren te volgen.
Veel ❤️💜😘😘 Anne